Ik haalde het kleine lichaam van een berenwelp uit het water, maar wat er kort daarna met mij gebeurde was een echte schok
Terwijl ik langs een diepe rivier liep, viel mijn oog op iets vreemds aan het wateroppervlak. Er dreef een kleine berencub.
In eerste instantie dacht ik dat het diertje gewoon aan het spelen was, misschien aan het zwemmen.

Maar toen ik dichterbij kwam, besefte ik dat het volledig roerloos lag en geen enkel teken van leven vertoonde.
— Waarschijnlijk verdronken… — mompelde ik, terwijl ik mijn hand uitstak om het uit het water te halen.
Voorzichtig tilde ik het omhoog. Ik tikte er een paar keer tegenaan en schudde het zachtjes, in de hoop dat het weer tot leven zou komen, maar het was zinloos. Het leek levenloos.
Maar op datzelfde moment gebeurde er iets verschrikkelijks.
Plotseling hoorde ik achter me een zwaar, laag gegrom. Rillingen trokken over mijn rug. Langzaam draaide ik me om — en toen zag ik haar.

Uit de struiken kwam een enorme moederbeer tevoorschijn. Haar ogen stonden vol woede, haar ademhaling was zwaar en schokkerig.
Ze zag dat ik haar welp in mijn handen hield en dacht dat ik degene was die hem had gedood.
Met een oorverdovende brul richtte ze zich op haar achterpoten op. De grond leek te trillen onder haar gewicht.
In paniek gooide ik het welpje terug in het water en rende ik langs de oever weg. Maar de moederbeer was sneller. Binnen enkele seconden haalde ze me in en sloeg met haar klauw langs mijn rug.
Een felle pijn schoot door mijn lichaam — haar klauwen trokken diepe sporen. Met moeite bleef ik overeind, terwijl het bloed mijn shirt doorweekte.

Maar de angst gaf me extra kracht. Ik sprintte het bos in en slalomde tussen de bomen door, tot haar gegrom langzaam wegstierf in de verte.
Toen ik uiteindelijk de weg bereikte, zakte ik uitgeput op de grond en hapte naar adem.
Op dat moment besefte ik: je moet je nooit bemoeien met de wilde natuur. Daar gelden andere wetten. En de mens blijft er altijd een buitenstaander.